zaterdag 10 januari 2015

Heraanbesteding ‘(on-) vermijdelijk’


Rechtbank Rotterdam 6 januari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:45:


Een heraanbesteding blijkt ‘onvermijdelijk’. Zie bijvoorbeeld de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8:

4.7.        In deze zaak ligt ter beoordeling voor of Aloysius heeft gehandeld in strijd met voornoemde beginselen. Aloysius heeft zich verweerd door te stellen dat A/S Works - gelet op de grote achterstand die A/S Works had op Dyade Dienstverlening Onderwijs en Groenendijk Onderwijs Administratie na de beoordeling van kwaliteitswensen 1 tot en met 3 en prijswensen 1, 2A en 2B - sowieso niet meer voor het gunnen van de opdracht in aanmerking kon komen. Wel was Aloysius voornemens, indien de presentatie van de kwaliteitswensen 4 en 5 van Dyade Dienstverlening Onderwijs en Groenendijk Onderwijs Administratie slecht waren geweest, om A/S Works alsnog uit te nodigen voor de presentatie ten behoeve van de kwaliteitswensen 4 en 5.

4.8         De voorzieningenrechter stelt voorop dat Aloysius zich dient te houden aan de in de aanbestedingsstukken beschreven beoordelingssystematiek. In dit geval voldoen de 4 inschrijvingen aan het Programma van Eisen. Vervolgens zijn die inschrijvingen beoordeeld op de mate waarin aan de kwaliteitswensen 1 tot en met 3 en de prijswensen 1, 2A en 2B is voldaan. De voorzieningenrechter overweegt dat na die beoordeling, zoals weergegeven in de onder 2.6 opgenomen scoringslijst, A/S Works nog een kans had om voor de gunning van de opdracht als winnaar uit de bus te komen. Daarbij is ook van belang, zoals A/S Works terecht heeft opgemerkt, dat de score van Dyade Dienstverlening Onderwijs en Groenendijk Onderwijs Administratie op de kwaliteitswensen 4 en 5 waarschijnlijk anders zou zijn uitgepakt indien de niet uitgesloten inschrijvers aan de presentatie hadden deelgenomen. Het voorgaande brengt met zich mee dat Aloysius in strijd met voornoemd gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel heeft gehandeld door A/S Works niet uit te nodigen voor de presentatie ten behoeve van de kwaliteitswensen 4 en 5. Dit geconstateerde gebrek is niet te herstellen door de presentatie ten behoeve van de kwaliteitswensen 4 en 5 door alle niet uitgesloten inschrijvers alsnog, respectievelijk nog een keer, te laten plaatsvinden. Indien alle geldige inschrijvers alsnog een presentatie zouden mogen geven met de wetenschap van elkaar scores op de kwaliteitswensen 1 tot en met 3 en de prijswensen 1, 2A en 2B, dan zou dat neerkomen op een tweede kans voor Dyade Dienstverlening Onderwijs en Groenendijk Onderwijs Administratie en dat zou evident in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling.
Indien alleen de inschrijvers die nog geen presentatie hebben gegeven alsnog daartoe in de gelegenheid zouden worden gesteld, zouden die inschrijvers bevoordeeld zijn door de inmiddels voorhanden zijnde kennis van andere behaalde scores, waardoor het ‘level playing field’ ernstig zou worden verstoord. Daar komt bij dat de beschreven systematiek met zich lijkt te brengen dat de presentaties kort op elkaar dienen te worden gehouden, omdat anders geen goede vergelijkende beoordeling kan plaatsvinden.
De conclusie moet zijn dat de vastgestelde tekortkoming in de procedure niet herstelbaar is en heraanbesteding onvermijdelijk is.

Hetgeen mij aannemelijk over komt.

Deels terzijde: Wenst men in een openbare aanbestedingsprocedure ‘tussentijds’ partijen (reeds) te laten ‘afvallen’ (welk nut (en noodzaak) ik overigens vaak niet zie), dan vergt dat (zeer) duidelijke ‘spelregels’. En praktisch ook een tussentijdse ‘standstill-periode’ (‘Alcatel-periode’). Bij gebreke van een en ander bestaat het risico (dus), dat op enig moment de doorlopen aanbestedingsprocedure (uiteindelijk) verspilde tijd, geld, moeite etc. is.

Vergelijk overigens ook mijn Blog ter zake de ‘standstill-termijn’ tijdens de (voorselectie bij de) niet-openbare procedure:


Dat een heraanbesteding (echter) ook ‘vermijdelijk’ kan zijn, volgt bijvoorbeeld (feitelijk) uit Rechtbank Rotterdam 18 juni 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:4844:


4.17.      Nu de aanbestedingsstukken aanwijzingen bevatten voor het interpreteren van de post Onderhoud op twee manieren, en dus ook op de wijze zoals Dura Vermeer, Wind Design, VBK Beheer B.V. en Bouwbedrijf Van Deelen B.V. dat hebben gedaan, is geen sprake van een kennelijke fout, maar van een gebrek in de aanbestedingsstukken.
Dit gegeven zou in beginsel een beslissing tot heraanbesteding kunnen rechtvaardigen.
In de bijzondere omstandigheden van dit geval zou heraanbesteding naar het oordeel van de voorzieningenrechter disproportioneel zijn, zodat daarvan wordt afgezien.
De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat het komen tot het ontwerp van het Werk een tijdrovend proces is geweest en dat niet is gebleken van enige behoefte aan een ander-soortig schoolgebouw. Ook zou een nieuwe aanbesteding aanmerkelijk kostenverhogend werken voor alle belanghebbenden.
Met het bieden van een nieuwe inschrijvingsronde zoals door de Gemeente voorgesteld (zie 2.6), wordt een aanvaardbare mogelijkheid gecreëerd voor de vijf inschrijvers om het level playing field te herstellen. Binnen een dergelijke nieuwe inschrijvingsronde kunnen de inschrijvers hun inschrijving desgewenst ook anders invullen.
De voorzieningenrechter laat in dit geval het geschonden belang van Dura Vermeer bij het prijsgeven van de door haar geoffreerde aannemingssom minder zwaar wegen dan het belang van alle inschrijvers bij een transparante en gelijke aanbestedingsprocedure.
Dat de belangen van andere gegadigden dan de vijf inschrijvers door deze gang van zaken worden geschaad, is niet gebleken. De onderhoudsbepalingen hebben immers geen rol gespeeld bij het selectieproces, zodat dat deel juist is verlopen.
Samenvattend oordeelt de voorzieningenrechter dat de wijze waarop de Gemeente het gebrek wenst te herstellen weliswaar op de grens ligt van hetgeen in aanbestedings-rechtelijke zin toelaatbaar is, maar dat die grens niet wordt overschreden.

Of uit Rechtbank Den Haag 24 april 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5696:


4.6.        JBM stelt tot slot dat zij ten onrechte een negatieve score heeft behaald op het onderdeel Haalservice, nu de aanbestedingsstukken daar geen ruimte voor bieden. Hoewel de Staat op zichzelf terecht aanvoert dat de mogelijkheid van het behalen van een negatieve score niet expliciet in de Aanbestedingsleidraad wordt uitgesloten, kan het niet anders dan dat de gekozen toepassing van de formule een effect heeft gehad dat in strijd is met andere bepalingen uit de aanbestedingsstukken. Immers, door de toekenning van een negatieve score aan JBM is afgeweken van de vooraf bekendgemaakte verhouding tussen de subgunningscriteria. Anders dan JBM betoogt, leidt dit gebrek in de beoordeling evenwel niet tot toewijzing van de vordering strekkende tot heraanbesteding. Het gebrek kan immers eenvoudig worden hersteld door JBM alsnog 0 punten toe te kennen op het onderdeel Haalservice. Nu vaststaat dat die wijziging in de puntentoekenning niet tot een wijziging in de rangorde tussen JBM en PostNL leidt, heeft JBM daar evenwel geen belang bij.

Mij is verder ook een (nog) niet gepubliceerd vonnis bekend, waarbij (ook) geen grond aanwezig werd geacht om tot heraanbesteding over te gaan. Een en ander vanwege onder andere de overweging, dat de aanbestedende dienst de kennis van de (doorlopen) aanbestedingsprocedure zou kunnen gebruiken bij een nieuwe aanbestedingsprocedure, waarmee de aanbestedende dienst (dan) invloed zou kunnen uitoefenen op de uitslag (van de nieuwe aanbestedingsprocedure). En dat zou in strijd zijn met de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht. De foutieve beoordeling in kwestie kon overigens (daar) ook op eenvoudige wijze worden gecorrigeerd.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten