woensdag 4 april 2018

Zuiver interne situatie


Ik vraag mij af, of randnummer 4.16 uit de Conclusie van de AG d.d. 26 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:83 wel helemaal correct is:


“Dit subonderdeel komt er in de kern op neer dat het bij de beoordeling van het duidelijk grensoverschrijdend belang niet van belang zou zijn of (de reële mogelijkheid bestaat dat) de belangstelling wordt geuit door een buitenlandse moedervennootschap van een internationaal concern zelf of juist door een Nederlands dochterbedrijf van zo’n concern. Dit betoog kan niet in zijn algemeenheid als juist worden aanvaard. Van een duidelijk grensoverschrijdend belang is sprake wanneer er een reële mogelijkheid is dat bij een buitenlandse vennootschap belangstelling bestaat om deze specifieke opdracht (al dan niet via een Nederlands dochterbedrijf) te verwerven. Een vennootschapsrechtelijke band tussen de buitenlandse moedervennootschap en haar Nederlandse dochterbedrijf is daarvoor ontoereikend. Uit die band als zodanig blijkt namelijk niet dat het moederbedrijf belangstelling heeft voor de specifieke opdracht. De omstandigheden dat (i) een buitenlandse onderneming een dochterbedrijf heeft in Nederland en (ii) er een reële mogelijkheid is dat dit Nederlandse bedrijf belangstelling heeft voor een zekere opdracht, geven geen uitsluitsel over de vraag of deze (mogelijke) belangstelling van het Nederlandse bedrijf (al dan niet) op belangstelling van het buitenlandse moederbedrijf is terug te voeren.”

Het gaat mij met name om ‘al dan niet via een Nederlands dochterbedrijf’.

Dat lijkt namelijk niet in overeenstemming met HvJEU 20 maart 2018 in zaak C-187/16 (Commissie/Oostenrijk):


104        Niettemin is het vaste rechtspraak dat de fundamentele regels en de algemene beginselen van het VWEU - met name het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, alsook de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting - van toepassing zijn op de gunning van opdrachten die gelet op hun waarde niet binnen de werkingssfeer van de richtlijnen inzake de gunning van overheidsopdrachten vallen, voor zover met die opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang is gemoeid (arrest van 6 oktober 2016, Tecnoedi Costruzioni, C-318/15, EU:C:2016:747, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105        In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie dient aan te tonen dat een onderneming die is gevestigd in een andere lidstaat dan die van de aanbestedende dienst, een duidelijk belang heeft bij de opdracht in kwestie, en dat zij zich daarbij niet kan baseren op een of ander vermoeden (zie in die zin arrest van 13 november 2007, Commissie/Ierland, C-507/03, EU:C:2007:676, punten 32 en 33 alsook aldaar aangehaalde rechtspraak).
106        Wat de objectieve criteria betreft die kunnen wijzen op het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang, heeft het Hof reeds geoordeeld dat een dergelijk criterium onder meer zou kunnen bestaan in het feit dat met de opdracht in kwestie een bedrag van enige omvang is gemoeid, in combinatie met de plaats waar de werken worden uitgevoerd of met de technische kenmerken van de opdracht en de specifieke eigenschappen van de betreffende producten (zie in die zin arrest van 6 oktober 2016, Tecnoedi Costruzioni, C-318/15, EU:C:2016:747, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107        Zoals de Commissie heeft betoogd, kan niet uitsluitend op basis van de waarde van de opdracht worden uitgemaakt of er sprake is van een dergelijk grensoverschrijdend belang, aangezien het daarvoor noodzakelijk is alle andere criteria en alle relevante omstandigheden van het geval te beoordelen. […]

Relevant lijkt me ‘een onderneming die is gevestigd in een andere lidstaat dan die van de aanbestedende dienst’ (zie r.o. 105).

Een buitenlandse dochter (bijvoorbeeld een ‘Nederlands dochterbedrijf’) van zo’n onderneming, die is gevestigd in de lidstaat van de aanbestedende dienst (bijvoorbeeld Nederland) is ter zake niet relevant. Die dochter is immers niet ‘gevestigd in een andere lidstaat dan die van de aanbestedende dienst’. Die Nederlandse dochter is namelijk juist gevestigd in de lidstaat van de aanbestedende dienst (Nederland).

Misschien is het zelfs wel zo, dat als een buitenlandse onderneming de keuze maakt om een (bepaalde) nationale markt ‘te bedienen’ door middel van een binnenlandse dochteronderneming op die nationale markt, daarmee ook een (feitelijke) aanvaarding plaats vindt van een (mogelijke) ‘zuiver interne situatie’ in het voorkomend geval.

In zuiver interne situaties binnen een lidstaat gelden de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag (ook) niet. Zie bijvoorbeeld r.o. 23 van HvJEG 9 september 1999, C-108/98 (RI.SAN):

“Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 55 van het Verdrag niet van toepassing is in een situatie als die van het hoofdgeding, die zich in al haar aspecten binnen een enkele lidstaat afspeelt en uit dien hoofde geen enkel aanknopingspunt heeft met de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties op het gebied van het vrije verkeer van personen en diensten.”

Voornoemd arrest is (bijvoorbeeld) bevestigd door (r.o. 12 van) HvJEU 22 december 2010, C-245/09 (Omalet NV).

Lees ook:






Geen opmerkingen:

Een reactie posten